Welcome to forums, please register on the red button below

Go Back   Librarium Online > Fiction & Arts > Fiction Forum
New! Use your Facebook, Google, AIM & Yahoo accounts to securely log into this site, click logo to login  
Register Blogs FAQ Calendar Mark Forums Read

Notices

Fiction Forum Come here for ideas and critique on new work.

Closed Thread
 
LinkBack Thread Tools Display Modes
Old November 27th, 2005, 10:44   #1 (permalink)
Son of LO
 
Araith's Avatar
 
Join Date: Dec 2004
Location: Nederland
Age: 21
Posts: 2,044
Thanks: 0
Thanked 0 Times in 0 Posts
Rep Power: 67
Araith could soon be scoring againAraith could soon be scoring againAraith could soon be scoring again
Default Beginnings of a fantasy novella? Plz comment.

Okay, this is my first real fiction work and I have the ambition to come as far as I can to make it publishable. Who knows, maybe I will publish it one day.

A problem that many people will see is that the story is in Dutch, not English. It's a decision I made a year ago and I'm not changing it. But I'd be grateful if the people who do read Dutch would read and comment.
All critique is very much welcome.

I have not made up a title yet, but that's of later notice.
Neither is the story finished yet. And I"m also planning on rewriting the whole piece anyway, to 'thick' it out. But still, what are your thoughts about the plot, style and language?


1

Hij tuurde in de regen. Het was donkere herfstnacht en het miezerde. Hondenweer dacht wachtmeester Garn knorrig, als ik die stomme weddenschap niet gesloten had, zat ik nu met een kroes bier voor het vuur. Nu loop ik naar een schaduw in de nacht te staren. De schaduw kwam dichterbij en werd een ruiter. De nachtelijke ruiter, gehuld door een donkere mantel bleef staan voor de noordpoort.
Dit moet Lenvoorde zijn. ‘Heidaar!’ riep Randir, ‘is dit Lenvoorde?’
‘Ja, vreemdeling. Waar kom je van met die tongval? Wat zoek je hier?’
‘Ik kom van overzee en zoek een herberg, de rest is mijn zaak.’
‘Kom binnen,’ zei Garn terwijl hij de stevige poort opende, ‘Je moet voorzichtig zijn, met die rovers en de trollen die tegenwoordig uit de bergen komen. Konstabel Barin heeft niet de wachters voor patrouilles.’
‘Goede wacht verder.’
‘Dank.’ Mmm, zwijgzame kerel, dacht Garn terwijl hij de vreemdeling nakeek terwijl die het dorp in reed.

Lenvoorde was een flink dorp. De huizen waren van vakwerk of hout, met een leistenen of een strodak, de meeste met een bovenverdieping. Het lag in een bocht in de Lena, was omringd door een sterke houten muur en had in het noorden een poort en in het zuiden een over de rivier. Terwijl hij over de redelijk brede hoofdweg reed, viel het Randir op dat hier minder Catliniaanse invloeden waren dat in de havenstad Corna. Al waren er wel duidelijke overeenkomsten met de oudere Catliniaanse huizen, vooral het vakwerk met de karakteristieke verticale latten. Midden in het dorp was een marktpleintje met een tempeltje, de dorpshal en de herberg. De Lachende Dwerg was met twee verdiepingen een van de grootste gebouwen in Lenvoorde. Uit de ramen scheen een warm geel licht de koude nacht in. Door een poortje ging Randir het binnenplaatsje op. Binnen kwam de waard, een opvallend grote dwerg met een grote rood bos haar, op hem af, ‘Goedenavond vreemdeling, hoe kan ik je helpen?’
‘Moge Beldar u goed gezind zijn waard. Allereerst moet mijn paard op stal gezet worden. Heb je nog kamers vrij?’
‘Ja, er zijn er vrij. Voor je paard zal worden gezorgd. Wil je nog wat gebruiken?’
‘Heb je dwergenmede?’
‘En of!’, riep de dwerg terwijl hij zijn welgestelde buik vooruitstak, ‘Wie denk je dat je voor je hebt? Er hangt ook een zwijn, dat de jagers vanmiddag meegebracht hebben, aan het spit.’
‘Prachtig,’ grijnsde Randir, ‘een pot warme mede, een brood en een stuk zwijn. Ik eet op mijn kamer.’
De waard riep een stalknecht en duidde Randir voor te gaan.

Lochae blies in zijn hete soep toen Randir de gelagkamer betrad. Hij zag een lange man met in simpele reiskleding van vreemde snit, leren laarzen en een grote zwarte mantel met kap. Onder zijn zwarte haren waren zijn ogen duistere poelen en op zijn gelaat waren de harde lijnen van de oorlog te zien. Hij kon moeilijk zeggen hoe oud de vreemdeling was, hij kwam duidelijk niet uit Llewynnë, Westmark of omliggende. Terwijl Lochae hem met zijn ogen volgde, praatte Randir even met Gelnir, de waard, en nadat hij een kom soep en een stuk brood gekregen had liep hij, tot Lochae’s verrassing naar hem toe. ‘De waard zei dat jij bewakers zoekt.’
‘Dat klopt vreemdeling,’ en hij kijkt hem even aan, ‘ik zie dat je kennis gemaakt hebt met Tiwez, god der strijd, maar ben je wel eens wachter geweest?’
‘Nee, maar in jaren van guerrillastrijd tegen de Amastiërs-’, Randir zweeg verder.
‘Goed genoeg. Je krijgt eten en tien penning per dag. We vertrekken over een uur richting Wysain.’ Lochae stond op en riep de waard. Randir zette zich neer aan het tafeltje. Lochae had zijn soep laten staan.

Terwijl hij een stuk hard brood zat te eten, zat hij te paard te kijken hoe de karavaan zich voorbereidde. Paarden werden voor de zes wagens gespannen. Lochae had bij de dwergen van het Zilverpiekgebergte vaten mede en maliënkolders gekocht. Verder was er een opvallend groot escorte van meer dan twintig huurlingen.
Het was een warme najaarsdag. De zon scheen sterk en een ferme noordwester joeg hoge wolken en de eerste gevallen bladeren voort. In een plotse windvlaag woei zijn zwarte mantel op, een zwaard en een dolk onthullend. Ze reden door een golvend landschap van velden en kleine bossen. Ze reden langs kleine dorpjes en eenzame boerderijen. Het leek vredig, kinderen speelden met de honden. Maar de volwassenen hadden wapens binnen handbereik en keken behoedzaam naar de karavaan. Ze reden overal door, maar stopten om noen wel bij een beekje. Onder het maal beantwoordde, Kolgos, een huurling met één oog, wilde donkerblonde haren en een lichte bochel Randirs vraag, ‘Dit is geplaagd volk. Tot voor kort waren hier veel trollen. De bergtrollen komen nu alleen nog maar ’s winters, maar de woudtrollen zijn er nog het hele jaar door. Hopelijk komen we er geen tegen.’
‘Kan de koning er wat tegen doen?’
‘De koning? De koning en de hoge raad hebben andere zaken aan zijn hoofd. Nu de oorlogen en twisten in Westmark weer in ongekende hevigheid zijn opgelaaid heeft koning Brand het druk genoeg aan de zuidgrens. Er is al een inval geweest door de hertog van Malarko. De forten in de Llewynn heuvels zijn nu goed bemand en bevoorraad en de koning verzamelt een leger. De Wacht van Galenburg wordt flink uitgebreid. Llewynnë raakt nu ook verwikkeld in de onlusten uit Westmark. Voor mij betekent het werk.
Maar voor de trollen is nu geen aandacht. Dat moeten de boeren en dorpswachten nu zelf oplossen.’
‘Kunnen ze het aan?’
‘Mwha. De dorpswachten stellen niets voor vergeleken met die van Galenburg. Men heeft met behulp van de dwergen de bergtrollen aangepakt. Zoals ik al zei komen die nu alleen ’s winters nog in kleine aantallen. Maar de woudtrollen… Die zijn onvindbaar in het Schaduwwoud, waar ze huizen. De eenzame boerderijen in de Llewynn heuvels hebben het zwaarst te lijden.’

Het begon al donker te worden toen ze rook zagen opstijgen achter een heuvel. De ruiters hun paarden de sporen en bleven staan op de top van de heuvel. In de luwte ervan lag een gehuchtje. Van de drie boerderijen waren alleen rokende skeletten over. Erbuiten stonden twee dozijn staken, getooid met de hoofden van de onfortuinlijke familie. ‘Trollen,’ spuwde een huurling uit.
Terwijl hij door de as liep en de verminkte lichamen bekeek kwamen de herinneringen boven.

De Amastische wagentrein reed door het dorpje. Randirs compagnie lag op de heuvel erbuiten. De hinderlaag van kapitien Ganast had gewerkt. ‘Kom op, mijn Krijgshonden! Bloed en buit is voor jullie. Dood!’
‘Dood!’ riepen de huurlingen. Schreeuwend renden ze op de wagens af.
De jonge Randir rende als in een rood waas mee. Daar, de wagens… vijanden… Amastiërs. ‘Dood ze!’
Hij besprong een verraste Amastische speerdrager met zijn falx. Die liet zijn speer vallen toen de falx door zijn arm en maag sneed. Hij sperde zijn ogen wijd open en spuwde bloed toen de falx door zijn keel sneed. Randir keek toe hoe de Amastiër ineenzakte en hij rende verder. Om meteen stil te staan en te kokhalzen, toen het besef dat hij gedood had. Niet een vijand, niet een Amastiër, maar een mens. Toen hij opkeek leek de tijd bijna stil te staan. Hij zag alles opeens heel helder en wat hij zag, hoorde en rook drong tot hem door. Het ranzige zweet, het bloed, het kermen van de gewonden en de gebroken ogen der doden. Het geschreeuw scheen hem opeens ver weg en vreemd luid en de bewegingen om hem heen leken krampachtig. Hij schreeuwde en zakte weg in de duisternis.


Lijkbleek wankelde hij terug naar zijn paard en steeg op. Achterom kijkend naar de verwoesting en de lijken voelde hij diepe smart opkomen. Niet alleen voor de daar gevallen doden, maar een onnoembaar en onpeilbaar leed voor hemzelf. Terwijl hij langs de staken reed, kijk hij er niet naar. Hij reed langzaam naar het kampement van de karavaan verderop.

De volgende ochtend kwam Wysain in zicht. Vanaf de verre heuvel zag het eruit als een lage stad met hoge spitse torens.
‘Kijk Randir, Wysain. Het wedijvert met Galenburg in schoonheid en het is zeker de intelligentste stad van Llewynnë. Maar zou het aangevallen worden… Gelukkig vallen de Westmarkers altijd meer ten westen hiervan aan. Richting Galenburg en op onze oostflank zitten de Farani.’
‘Ja, de Farani. Ik heb de indruk gekregen dat het formidabele krijgers zijn.’
‘ Oh ja, zeker. Moed hebben ze, daar valt niet over te twijfelen. Een volk van herders, jagers en krijgers is het. Met ons handelen ze, maar voor de mensen ten oosten van de heuvels zijn ze een verschrikking. Argun of zo heet het daar. Nee … Hé Rattekop!’
‘Mmn. Mot je?’ knorde Garnal, zijn bijnaam is meteen duidelijk voor ieder die hem ziet.
‘Hoe heet dat land dat de Farani plunderen?’
‘Mot je nie an mij vrage. Vraag ’t an Lochae, die weet ’t wel. Of anders Sarnalo, die Zuiderling.’
‘Wie noemde mijn naam?’
‘Sarnalo, hoe heet dat land ten oosten van de Farani heuvels, dat de Farani regelmatig plunderen?’
‘Armagine, so heet het.’
‘Armagine. Best arrogant volk, die Armagianen. Self wonen se allemaal veilig in hun grote steden. Veel groter dan Galenburg, heb ik me laten vertellen. De Hiffanim die in het heuvelland ten oosten van de Farani wonen vangen alle klappen op. Se schijnen van sich af te kunnen bijten maar tegen de Farani beginnen se niets.’
Bij het spreken van plunderen speelde Randirs maag weer op. Goden, waarom kwamen gisteren die herinneringen nou terug? Het was nu mooi weer, maar Randirs gedachten waren zeker niet bij de heldere hemel, de paar wolkjes die uit de zuidelijke landen aan kwamen gedreven, noch bij de zachte wind die een bosachtige geur met zich mee voerde. Dit was precies waarom ik de zee over ben gestoken op weg naar dit vreemde land, hoewel verwant aan het volk van Catlinia, om die herinneringen te vergeten! Het verleden achter me te laten. Te veel, te gruwelijk waren de veldslagen, plunderingen, slachtingen. In roem en glorie geloof ik al lang niet meer, het recht is vergaan, vergeten. Nooit… Nooit meer! Licht, mogen de goden me bijstaan. Nimmer meer.
‘Vreemdeling, ben je ziek?’ Dat was Lochae.
Vreemdeling? … Ja, dat klopt. Ik ben een vreemdeling.
‘Randir!’
Knipperend met zijn ogen keek Randir op, ‘Lochae?’, murmelde hij.
‘Ben je ziek?’
‘Ziek? Nee, niet ziek.’
Lochae keek hem even doordringend aan, knikte, wendde zijn paard, keek nog een keer om en riep, ‘Hort! We rijden verder! Naar Wysain.’
Ze reden de heuvel af. Even later werden ze ingehaald door een groep stevig doorstappende Farani. Ze dreven een kleine kudde geiten voort. Over een aantal muilezels hingen huiden, vooral wolvenhuiden. Over de schouder droegen ze hun tarim, de langstelige Farani bijlen, waar tot groot genoegen van de overige bewakers in totaal een zeventiental trolhoofden aan hing. Waren dat de moordenaars van dat gehucht van gisteren?

Wysain was een redelijk grote stad, ruim gespreid over de lage heuvels, waar ook veel boerderijen te zien waren. Het was omgeven door een lage stenen muur, met alleen torens bij de drie poorten. Ze kwamen aangereden naar de noordpoort. De Galenburgpoort ging westwaarts door de noordelijke poot van het woud van de Llewynn heuvels richting Galenburg en de zuidpoort leidde tot de eenzame nederzettingen in de oostelijke Llewynn heuvels.
Voor de poort liet Lochae de wagens halt houden. ‘ik ga eerst naar Belast, een herbergier, om te kijken of hij plaats heeft. Kolgos, Varna en … Randir, jullie gaan met me mee. Marck, je weet wat je te doen.’
Marck knikte kort.
‘Kolgos, Varna, Randir volg me.’
Ze reden onder de in lichtgrijze steen gehouwen poort door. Na enkele tientallen meters kwamen ze op een marktplein uit. Om het plein stonden herbergen en opslagplaatsen. Midden op het plein stond een beeld van een man met lang sluik haar, gehuld in een pij. Hij hield een lange staf in zijn linkerhand en stond alsof hij iets voordroeg. Het plein zelf was gedeeltelijk gevuld met kramen. Achter de meeste kramen meende Randir Farani te herkennen. Er stonden ook overal geitenkuddes. Terwijl ze voorbei een rijk gezelschap reden zei Kolgos, ‘ze zijn vroeg dit jaar.’
‘Ja, het wordt zeker vroeg winter,’ ging Lochae erop in.
‘Hoezo?’ vroeg Randir.
‘Elk najaar komen vele Farani hierheen voor deze markt. Ze komen dan met hun geiten en met de pelzen die ze afgelopen zomer en lente gevangen hebben. Zo maken ze de schuren vrij voor wintervoorraden en voor de jachtopbrengsten van deze winter. Begin komende lente wordt het hier echt druk. De lentemarkt is de grootste pelzenmarkt in Llewynnë en de landen in het zuiden. Dat ze zo vroeg in het jaar komen betekent vast dat de winter vroeg invalt.’
Van het plein leidden, behalve kleinere wegen en steegjes, twee drukkere wegen. Een linea recta naar de zuidpoort en een naar de Galenburgpoort, waar ze heen gingen. Opeens viel het Randir op dat er overal mannen in lange witte pijen tussen de mensen rondliepen. Net zoals dat standbeeld op het geitenplein. Ze keken allemaal opmerkelijk kalm en iedereen maakte plaats voor ze, al leek men niet bang te zijn. Sommigen liepen zonder wapen, anderen met, waartussen vreemd wapentuig zat. Hij zag zelfs een falx, het traditionele wapen van zijn eigen volk. Nee, oude volk. Een golf van droefenis spoelde over hem heen. Hij zag niet dat een van de witte mannen bleef staan en hem nieuwsgierig aankeek.
De stad zag er welvarend uit. De meeste huizen hadden een bovenverdieping en meestal was minstens de benedenverdieping van steen. Voor de Galenburgpoort lag het Samaiplein. Het was er rustiger dan op het geitenplein, het standbeeld dat hier staat zal dan wel van Samai zijn dacht Randir. Het was ook zo’n wijs uitziende man in en witte pij, al had deze twee smalle zwaarden.
Ze reden naar een van de grotere herbergen aan het Samaiplein. Op het erf liep een jongen in simpele bruine en gele kleding met een emmer water te sjouwen. ‘He jongen,’ riep Lochae, ‘waar is Belar?’
De jongen schrok op en antwoordde twijfelend, ‘euh… in de stal mijnheer. Moet ik hem roepen?’
‘Doe dat.’
De jongen zette de emmer neer en rende de stal in en kwam even later aanzetten met een geërgerd kijkende man. Een os van een man. Hij was gekleed een simpel felgekleurd wambuis van goede snit. Hij droeg een bevlekt schort en had zijn mouwen opgestroopt, zodat die kabels van spieren en vet zichtbaar werden. Zijn gezicht klaarde op toen hij Lochae zag, ‘Lochae! Je bent weer terug! Matthijs,’ zei hij de jongen, ‘ga maar weer verder.’ Matthijs vertrok weer met een dankbaar gezicht.
Lochae steeg af en ze omhelsden elkaar als broeders. ‘Hoe was de reis? Ik zie dat er nieuwen bij zijn.’
‘Aan de trollen ben ik een paar man kwijtgeraakt, toen we per ongeluk zo hun kamp binnenreden. Ik vraag me af wie er meer verrast was, de trollen of wij.’ Hij zweeg even.
‘Ga verder, ga verder.’
‘Verder verliep de reis zonder al teveel moeilijkheden. Het was succesvol. Die jongen heet Valna en die zwijgzame vreemdeling is Randir. Hoe is het met Finze en de meisjes?’
‘Goed, goed. Wat kan ik voor je doen?’
‘Zoals je wel weet wil ik natuurlijk overnachten. Ik heb tweeëntwintig man bij me. Zijn er nog plaatsen voor ze, zes wagens en negenentwintig paarden?’
‘Voor de jongens is wel plaats op de zaal. Voor de paarden en de wagens is nog wel plaats in de grote stallen buiten de stad. Je weet het wel te vinden. Ik zie jullie daar wel.’
Hij liep naar binnen terwijl het zijn schort af deed en zijn vrouw wat toeriep. Ze keerden de paarden om en reden terug richting de noordpoort. Randir vroeg, ‘wie zijn die lui in de witte pijen eigenlijk?’
‘Oh, dat zijn de witte broeders,’ antwoordde Varna.
De witte broeders, dacht Randir, of de Orde van Dinnim. Daar gaan verhalen over rond in Catlinia. Magiers en zwaarddansers. Soms zijn het halve goden, volgens de ander monsters. Wat dan ook, ze zijn gevaarlijk.
Eenmaal terug bij de wagens riep Lochae iedereen op de been en de karavaan trok de stad in, naar de Galenburgpoort. Daarbuiten lag een groot stalgebouw. Op de binnenplaats stond Belar te wachten met twee knechts.
Op aanwijzing van Belar begonnen ze de paarden te stallen. Belar duidde de bewakers mee te helpen en trok Lochae een lege stal in. ‘Hoe is ’t gegaan?’
Lochae keek om zich heen, ‘Goed. Heer Moktar was betrouwbaar, zoals je zei. Er was alleen een smid die ongehoord veel vroeg, aan de andere kant neem ik het hem niet kwalijk. Hij leverde goed werk, niet zo goed als hij kan, maar nog steeds goed. Maar ja, Moktar ging meteen naar hem toe, zodra hij het hoorde. Wat een gebulder kunnen die kleine dwergen toch voortbrengen, het verbaast me altijd. Maar het hielp. Barn, die smid, kwam bleek naar buiten. Heb jij ooit een bleke dwerg gezien?’
‘Gha! Ga verder.’
Nou, we hebben alles. Zwaarden van het beste staal. Maliënkolders, helmen, borst- en rugplaten zoals alleen het gebaarde volkje het kan smeden. En genoeg om een heel leger mee uit te rusten.’
‘De meester zal tevreden zijn-’
‘Hm, das ‘m geraden ook.’
Belar gaf hem een vorsende blik. ‘Zoals ik wou vragen, heb je nog andere problemen gehad?’
‘Behalve de trollen? Ja, in Corna. Een spion, maar we zullen geen last meer van haar hebben.’
‘Haar?’
‘Ja,’ antwoordde Lochae met een grimmig gezicht.
‘Wel, ze weten van je bestaan af. Er is weinig tijd. Je moet door, snel. De tijd vliegt. En sneller dan de meester wil.’
‘Morgen, voor het eerste licht valt, vertrekken we.’
Goed, en weet je ook of de nieuwen te vertrouwen zijn?
‘Neen. Varna gaat niet verder, van Randir weet ik het nog niet. We houden hem in de gaten. En jouw knechts? Die zijn ook nieuw.’
‘Jan is in de leer gegaan bij een oom. En Santer is overleden aan roodzucht.’
‘Er is roodzucht uitgebroken? Dat is niet te merken met die drukte en al.’
‘De witte broeders waren er als de kippen bij. Ongelooflijk wat zij kunnen. Een aantal konden gered worden en verspreiding werd voorkomen, maar voor Santer was het te laat.’
‘Lochae boog het hoofd, ‘Mijn hart gaat uit.’
‘Ik koester en dank, wees welkom aan mijn haard,’ prevelde Belar. Ze vervielen in gefluister.
Randir stak zijn vork in het hooi. Meester hè? Ben benieuwd wat dit voor zaakjes zijn. Jammer dat ik niet meer hoorde. En wie zou mij in de gaten houden? Hij draaide zich om, en zag Kolgos zich net omdraaien. Kolgos? We zullen zien.

Die avond zat hij in de gelagkamer van de Zingende Kraai te luisteren naar het rumoer om zich heen. Intussen afwezig tikkend op zijn nog volle kroes. Lochae kwam op hem af en gaat zitten. ‘Randir, ben je van plan bij de karavaan te blijven?’
‘Liever wel. Naar Galenburg, niet?’
‘Het komende stuk is van trollen vergeven. Wil je nog steeds?’
‘Wil jij mij kwijt?’ Voor Lochae antwoorden kon vroeg hij, ‘Wanneer gaan we?’
Lochae gezicht werd leek een studie in onleesbaarheid. ‘Morgenochtend . Voor de gloren.’
Toen Lochae wegliep nam hij een grote teug en ontspande zich. Hij leunde naar achteren, luisterend naar het gesprek aan het volgende tafeltje. Daar was het onderwerp inmiddels veranderd.
‘-aan gaan vallen?’
‘Het ziet er wel naar uit. De koning verzamelt een leger, de koningin is op reis. De wereld is in beweging. Ik hoop dat de storm ons passeert.’
‘Er hangt ook een vreemde sfeer rond het Hof van de Dinnim. Een ongemakkelijk beklemmend gevoel bekroop me vanochtend, toen ik bij Janus Roodkop moest zijn, jeweetwel. Ik ben benieuwd… Heb je trouwens nog nieuws van die neef in Westmark?’
‘Van Berthold? Niet meer sinds … voor de Freyalia, das manen terug.’
De ander bromde wat en er nestelde zich een ongemakkelijke stilte.

Terwijl hij zijn zwaard afveegde aan een gevallen Amastiër keek ij om zich heen. Het dal en twee heuvels waren bezaaid met lichamen. Romaag heeft een grote oogst gehad vandaag, dacht hij grimmig. En overal waar hij keek zag hij het rood en bruin van Hallanor. Veel rood en bruin. Te veel. Broeders, broeders met wie hij twee winters had doorstaan, gevochten en gebloed. Maar meer groen, van de Amastiërs. En het gras? Rood, bruin, bloed, modder. Een omgekeerde wereld. Word ik gek, vroeg hij zichzelf af. Genoeg… ‘Genoeg!’
Hij schreeuwde en bleef schreeuwen. Sommigen keken, haalden hun schouders op. En gingen verder met plunderen. Anderen keken helemaal niet op. Enkele grijze koppen schudden: weer een verloren.
Genoeg … ze komt niet terug. Al sterft de laatste Amastiër. Niet terug. ‘Noch jij’, hoorde hij zichzelf zeggen, ‘jij bent jezelf verloren toen je dit pad insloeg. Herinner je de eerste keer nog? Die karavaan, ja. Je sneed zijn buik open. De ingewanden stroomden over je voeten. Niet voor de laatste keer. Voel het, proef het, weet het. Je kunt niet terug. Je bent verloren. Nooit meer-‘
‘Nee!’ Ik moet hier weg. Weg van de waanzin-
‘Maar jij bent waanzinnig, niet de wereld. Je kunt niet vluchten.’
Moet hier weg. Catlinia … Weg…


Randir sloeg zijn ogen op en keek wild om zich heen. Hij herstelde zich onmiddellijk en keek strak naar zijn kroes. Hij geroezemoes vulde de atmosfeer. Hij wierp voorzichtig een blik achter zich. Het paar achter was vertrokken. Hoe lang heb ik hier gezeten? Toen viel hem opeens iets op, zijn kroes was leeg. Hij betastte zijn zwaard, ieder in de gaten houdend stond hij op en liep langzaam richting de trap. Op de overloop keek hij nog eens de gelagkamer in. Gleed Kolgos blik nou over hem heen? Terwijl hij zich omdraaide en de slaapzaal inliep zag hij niet de twee ogen die hem volgden vanonder de mantel in de hoek.

Hij lag onder een boom. Waardoor ben ik gewekt? Hij hoorde een schril gefluit. Het komt- goden, niet meer dan twee mijl. Snel! Zijn zak en staf oppakkend rende hij ervandoor. Het vuur! Nee, te laat. Ze ruiken me toch.
Bomen ontwijkend rende hij door het struikgewas. Hij zag hem rennen, nee hij rende zelf. Met hem mee? Wiens ogen zijn dit? Links om die beuk- … Waarom rechts? Voor wie vlucht ik? Het antwoord schoot hem te binnen alsof hij het eigenlijk al wist, al hoorde te weten. Trollen. Trollen? Waar ben ik? Waar in de naam der goden zijn deze heuvels? Terwijl hij verward en vermoeid doormaalde rende het, zijn, het lichaam verder.
Totdat opeens een heldere gedachte tot hem doordrong. Waarheen? Er is … iets … in het noorden. Kijk uit voor die bo-!

‘Hé Randir! Wakker worden! Slapen jullie altijd zolang, waar jij vandaan komt? We gaan in een half uur.’
‘Wat goden, mijn hoofd.’ Het voelt alsof ik tegen een-
‘Wat heb jij vannacht uitgespookt? Het lijkt alsof je tegen een-’
-boom ben aangelopen. ‘Pardon, wat zei je?’
‘Laat maar. Tis jouw zaak, we vertrekken in een half uur.’
‘Goed, goed, goed.’ Argh, koppijn.
Terwijl hij zijn wambuis over zijn hoofd trok, ontdekte hij iets. In het zuiden… Als een aanwezigheid, een vage angst, vermoeidheid en onrust in een hoekje van zijn gedachten. Verwarring…
Even later zat hij in de gelagkamer achter een kom uiensoep. Met wat, zo te proeven, flinters rund leek te zijn. Terwijl hij de houten lepel naar z’n mond bracht kwam er een stukje hout boven drijven. Hij pakte het op en wou het weggooien toen hij schrift op de achterzijde zag. Een bericht? “het is begonnen� Hij keek om zich heen, zich afvragende of het voor hem was. Wat betekent het? Amastiërs? Nah, wat kan ik voor hen betekenen? Hij trok zijn dolk en begon de letters weg te snijden.
‘Vreemdeling! We gaan!’
Zonde van de soep. Een paar koperstukken achterlatend, stond hij op, trok zijn mantel om zich heen en liep achter de anderen aan.

Het was een sombere dag. De paarden waren stil. De mannen zwegen. Het canvas van de huiven glinsterde van het vocht en hun mantels bolden op door een zacht en kil windje. Er zit regen in de lucht, schoot door Randir heen, terwijl hij zijn paard besteeg. Hij bekeek de anderen. Het heeft ons allen te pakken, deze naargeestigheid. De enige met een greintje geest leek Lochae te zijn. Die inspecteerde gezeten op zijn ruin met een montere blik de wagens. Vervolgens keerde hij zich, als kreeg hij net een ingeving, tot Belar. ‘Belar, hebben de trollen deze stallen wel eens aangevallen?’
‘Wah? –nee. Nog niet.’ De lijvige herbergier schudde z’n hoofd. ‘Maar ik zat er wel over te denken de stallen naar de noordpoort te verplaatsen.’
‘Mmm, het ga je goed Belar.’
‘Vale Lochae.’
Lochae schudde hem de hand en riep, ‘We rijden!’ Zijn paard wendend leidde hij de karavaan de modderige weg op.
Achter hen besteeg de zon de hemel.

Het was al twee dagen sinds hun vertrek uit Wysain. De eerste nacht overnachtten ze in (de stallen van) ene herberg aan de rand van het woud, de Rode Elf. Of het Elf op Elfen sloeg of het getal was niet te zeggen. Er stonden elf kleine rode Elfen op. Allemaal met een grote grijns. Eén ervan hield overigens een grote knuppel vast.
De volgende dag trokken ze de bosweg op. Het woud bleek een uitloper te zijn van de Llewynn heuvels in het zuiden. Na het middaguur merkte hij op dat het erg stil was.
‘Je meent ‘t vreemdeling. Niet gewend aÃ*n bossen hè? Het is sinds gisterÃ*vond al te stil. Daarom reden we zo lang door en vertrokke vanmorge zo vroeg. Er zou wel eens een overval in kunnen zitte.’
‘Waar ik vandaan kom zijn niet zoveel bossen, laat staan wouden als deze,’ antwoordde Randir droog. ‘Trollen?’
‘Humpf,’ bromde Eldoirg, ‘mot je het Woud der Eeuwen eens zien. Maar trollen, zou kunnen. Misschien Elfen. Je weet het maÃ*r nooit met hun. Ik vertrouw eerder een Timoliaan.’
Ze reden verder in stilte, ieder zich bewust van de omgeving.
Plotseling voelde hij een pijn alsof er zich een speer in zijn borst boorde. Maar niemand lette op hem, ieder trok zijn wapens op het geluid van krakende struiken. Gevolgd door een kelig joelen en trollen die van alle kanten op hen afsprongen.
Als door een rode waas zag Randir de trollen. Hij probeerde de speer er uit te trekken, maar voelde er geen. Tijd om zich erover te verwonderen had hij niet toen er een trol op hem af sprong, hij nauwelijks zijn zwaard kon trekken om de slag weg te slaan. Die hem in zijn dij trof. Maar een seconde later maakte een dolksteek door de taaie huid van de trol er een einde aan. Hij veegde zijn dolk af en keek op. De bewakers hadden het moeilijk, maar een paar trollen hadden meer interesse in de wagens, enkele passen verderop. Hij trok zijn werpmessen. De één verdween in een trol die Lochae van achteren naderde en de ander schampte af op een trol met een oud, vuil en gescheurd bakkersschort. Diens tegenstander de kans gevend de afgeleide trol te doden. Hij stond op het punt op de plunderende trollen af te gaan toen hij er één vanuit zijn ooghoek aan zag stormen. Hij draaide zich om en pareerde diens speer. Toen drong er een andere trol langs, een bewaker voor zich uit drijvend. Hij doodde de trol met een nekslag, maar zijn eigen tegenstander was er niet meer.
Hij keerde zich naar de wagens. Hij wist één van de plunderaars met een hartsteek te vellen terwijl die met blote klauwen op hem af sprong. De anderen zetten het op een lopen.
Terwijl hij het langarmige beest van zich af duwde zag hij ze allemaal vluchten.
Toen werd hij zich weer bewust van de pijn, zijn wegvloeiende levenskracht. Terwijl de anderen hem terugriepen rende hij het woud in. Rende hij weg, of juist naar de pijn toe? Hij voelde zijn spieren verzwakken.
Strompelend bereikte hij een open plek, begrensd door essen, wilgen en struikgewas. Tegen een holle wilg lag een enigszins kleine man slap en bewusteloos. Hij was jong, had wild bruin haar, resten van vreemde maar degelijke kleding en leek pijn uit te stralen. Hij had een grote wond in de borst, waar een afgebroken speer uit stak. De wond was vers.
Hij strompelde op hem af. De man opende zijn ogen. Hij reflecteerde diens pijn. En die van hem. Diens ogen waren de zijne en de zijne van hem. Herkenning volgde.
De wereld werd gevuld met pijn en alles werd duister.


2

‘Jongen!’ riep de loensende bediende.
De donkerogige bediende die het scheermes nog niet had hoeven te wetten keek op.
‘Varino heet je toch?’
De jongen knikte gelaten.
‘Goed. Breng deze wijn naar de jonge heer Antire. En snel een beetje, meneer is niet in een goede bui vandaag.’
‘Maar-’
‘Nu! Herinner je Beldarsdag nog?’ vroeg hij met een kwaadaardige grijs terwijl hij zich al afwendde.
‘Ja Aeco.’ De jongen verbeet de neiging Aeco bij de herinnering aan Beldarsdag weer een varkenskop te noemen. Aan de andere kant, dacht hij, waarschijnlijk heeft Sarcomo nu weer dienst in de wijnkelders. De Barghonneze mirthe dronk toen heerlijk weg. Ten minste, totdat de keldermeester een paar fusten appelwijn kwam halen. Maar misschien kon hij nu nog eens proberen er langs te glippen.
Die gedachte bracht hem weer bij het karwei ophanden en met een zucht begaf hij zich op weg naar de vertrekken van Antire. Daar aangekomen trad hij voorzichtig het bediendenvertrek binnen. Niemand, dacht Varino terwijl de hoop hem in de schoenen zonk. Misschien kan ik de wijn in het voorvertrek zetten en weg zijn voor hij me ziet. Stilletjes ging hij verder op de daad bij de gedachte te voegen.
‘Jongen!’ snauwde iemand achter hem. ‘Je hebt ook geen haast hè?’
Varino wervelde rond van schrik. De wijnkan kantelde. Een zwarte sluier viel voor zijn ogen. Hij hoorde enkel Antire nog vloeken.


‘Hier is hij. Snel!’
Randir ontwaarde een bezorgd gezicht boven zich voor hij weer wegzakte.
Hij werd geplaagd door een donkerogige jongeman. Eens liepen ze samen over een pad. Dan zwief hij door eindeloze hallen en gangen. Telkens als hij een zijgang in keek zag hij de donkerogige jongeman lopen. Dan renden ze als wildemannen op elkaar af. Dan weer weende hij bij het lijk van dezelfde jongeman. Hij wist dat hij hem gedood had. Dan klom hij over een smal pad tussen de bergwand en de afgrond naar boven. Hij wist dat de jongeman achter hem aan liep. Hij wist ook dat, zou hij kijken, de jongeman er niet zou zijn. Hij keek niet om. Hij hing boven een afgrond. Een hand werd hem aangereikt. Het was de jongeman. Een andere keer was het een ander, die de bebloede hand van de jongeman aanreikte. Hij rende door een veld met bloemen. Hij wist dat er een afgrond voor hem lag. Tevens wist hij dat de jongeman beneden op hem wachtte. Hij stopte niet met rennen.

‘Volgens mij komt hij bij. Roep Lochae.’
‘Ben zo terug Kolgos.’ Miraz stommelde de wagen uit, de bok op, en keek rond. ‘Lochae!’
Na een paar laatste woorden gewisseld te hebben met Marck kwam Lochae aangereden. ‘MIraz, hoe is hij?’
‘Beter meester. Hij lijkt bij te komen.’
‘Je leert ook nooit hè?’ gromde Lochae, ‘het is Lochae. Bewaar je gemeester maar voor je oude vader. Maar goed, neem Zonnebloem aan.’
‘Ja meester,’ antwoordde Miraz en sprong van de wagen om Lochae’s paard aan te nemen.
Met een zucht klom Lochae de wagen op en groette de menner. ‘Hij is bij aan het komen?’ vroeg Lochae terwijl hij onder de huif dook.
‘Ah, baas. Hij lijkt bij te komen. De koorts is geweken, maar hij ijlt nog steeds,’ zei Kolgos terwijl hij met een bezorgd gezicht aan zijn grijzende hangsnor trok.
‘IJlt hij nog steeds over die… wat was de naam ook alweer?’
‘Va- Hé, hij is bij.’

Oh, mijn hoofd-
Ja, mijn hoofd…

‘Vreemdeling… Randir…’
Randir hoestte en keek hen recht aan.
‘Hoe voel je je?’
‘Ik? … voel me alsof een wyland zich op mijn hoofd gezet heeft.’
‘Een wyland? Nee, laat maar-’
‘Een hert, lang haar, slecht humeur, wyland.’
‘Rustig Randir. Hoe is je borst?’
‘Hoez- Die speer… niets… voel niets.’
Lochae en Kolgos wisselden verbaasd een blik.
‘Wat?’ vroeg Randir terwijl hij overeind probeerde te komen, prompt opzij viel en braakte. Terwijl Kolgos een paar doeken greep, schreeuwde Lochae om water.

‘Ik blijf het opmerkelijk vinden Lochae.’
‘Wát?’
‘Ik blijf het opmerkelijk vinden.’
‘WÃ*t?’
‘Zijn herstel… werkelijk… ik heb door de jaren heen veel gevochten en verpleegd. Maar dit? Vreemd gewoon. Eerst is hij dagen buiten westen en als je zijn bast maar met een veertje aanraakt krijgt hij al de stuipen. Halverwege begint zijn huid te etteren, zonder enige kenbare oorzaak. En zie hem nu! Al twee dagen rijdt hij. Sinds hij wakker werd rept hij geen woord over zijn borst. Enkel zijn hoofd.’
‘Ha! Zo heb ik je in geen jaren gehoord Kolgos.’
Kolgos gromde wat en spuwde op de grond.
‘Lochae!’ riep een naderende ruiter. ‘Kolgos waar sijn-’
‘Ja Sarnalo?’
‘Oh Lochae. Ik net terug van verkenning. Een klein leger sijn nabij. Nadert de rand van het woud.’
‘Een leger? Onder welke banieren?’
‘Ik denken… groen met swarte-’
‘Het zwarte zwijn op groen,’ onderbrak Lochae met een zucht, ‘van Rodrin Gangellen, een neef van de koning.’


__________________
Lance Leader of the LO Codex: Wasters design team



Forged in fire, bonded in ice
Son of Fenris, Son of Russ
Araith is offline  

Join the #1 Tabletop Gamer Forum Today - Its totally free!

Librarium Online - the forum for all your tabletop gaming needs. Librarium Online offers a wide variety of categories, all from choosing your army to building scenery for gameplay. With over 500 new members every month you can be sure that your questions will be answered. Get help from friendly experts around the world and share your work with us in the gallery or in your personal blog!

Sign Up Now!

 
Old November 27th, 2005, 11:35   #2 (permalink)
Member
 
Agate's Avatar
 
Join Date: Sep 2004
Location: Hamilton
Age: 22
Posts: 268
Thanks: 0
Thanked 0 Times in 0 Posts
Rep Power: 64
Agate is a bit of a rough diamond
Default

Well i Don't read Dutch but i am impressed that you followed through with your ideas, I always wanted to right some stories...

Good luck with future publishing options

Agate
__________________
Agate's Theorem TM

Awesome + Awesome = Double Awesome
Agate is offline  
Old November 27th, 2005, 12:03   #3 (permalink)
Member
 
Schmeag's Avatar
 
Join Date: Feb 2005
Location: Melbourne, Australia
Age: 20
Posts: 140
Thanks: 0
Thanked 0 Times in 0 Posts
Rep Power: 61
Schmeag is still scoringSchmeag is still scoringSchmeag is still scoring
Default

As Agate says, I don't read Dutch, but I wish you well on your attempt. However, not being able to read Dutch doesn't mean I can't understand quotation marks, and there seems to be a lot dialogue in the last few sections. Whilst dialogue does add suspension, overuse does not bode well either.

Of course, it could be something other than what I'm thinking of.
Schmeag is offline  
Old November 27th, 2005, 14:12   #4 (permalink)
Member
 
Revolution's Avatar
 
Join Date: Nov 2005
Location: Forbes, NSW, Australia.
Age: 18
Posts: 49
Thanks: 0
Thanked 0 Times in 0 Posts
Rep Power: 49
Revolution is getting kicks on route LXVI
Default

Ahem: http://dictionary.reference.com/translate/text.html

~ Not perfect, but you can get the general idea.
__________________
.
Revolution is offline  
Old November 27th, 2005, 17:21   #5 (permalink)
Bearded and Dangerous
 
King Ulrik Flamebeard's Avatar
 
Join Date: May 2003
Location: Sheffield, England
Age: 25
Posts: 6,969
Blog Entries: 14
Thanks: 0
Thanked 10 Times in 6 Posts
Rep Power: 185
King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.King Ulrik Flamebeard Relax. You have achieved enlightenment.
Librarium Online Painting Contest 
Total Awards: 1
Default

Sorry but LO is an English speaking forum only, please refrain from posting in other languages - I suggest you post on a Dutch forum.

KU
King Ulrik Flamebeard is offline  
Closed Thread

Similar Threads
Thread Thread Starter Forum Replies Last Post
Exerpt from novella of mine matthewst1 Fiction Forum 1 April 11th, 2005 13:46
The Beginnings Of A Cult Winters 40k Armies 0 March 15th, 2005 18:40
Please Comment On My Army blood angels sanguinius 40k Armies 4 March 13th, 2004 02:46


Bookmarks

Thread Tools
Display Modes

Posting Rules
You may not post new threads
You may not post replies
You may not post attachments
You may not edit your posts

BB code is On
Smilies are On
[IMG] code is On
HTML code is Off
Trackbacks are On
Pingbacks are On
Refbacks are On


All times are GMT +1. The time now is 05:17.

Array [contact_us] - Librarium Online - Archive - Top
Warvault Webring

Join The Librarium Online Banner Exchange